Ruimte heet 空间 : 空 “leeg” + 间 “tussenruimte” ⟶ de ruimte, de beschikbare plaats. Maar dat woord gebruik je weinig wanneer je wilt zeggen waar de dingen zijn. Daarvoor heeft het Chinees een werkwoord, 在 “zich bevinden”, en een regel voor de volgorde: de plaats komt vóór de handeling. 我在北京工作 , letterlijk “ik in Peking werken”. Deze pagina sluit aan op De maankalender en de duur: na de tijd de ruimte, en de twee delen een flink deel van hun woorden.
In het Nederlands staat het voorzetsel vóór het zelfstandig naamwoord: op de tafel. In het Chinees komt het plaatswoord erna: 桌子上面 , letterlijk “tafel bovenop” (zin 2). Deze plaatswoorden bestaan uit een eenvoudig karakter (上, 下, 里, 外, 前, 后) en een achtervoegsel, 面 “vlak” of 边 “rand”. Je hoort 上边 even goed als 上面, en ik zie geen betekenisverschil tussen de twee. Na een zelfstandig naamwoord volstaat het karakter alleen vaak: 桌子上 , 房间里 . Let op: de naam van een land of een stad krijgt geen 里. Je zegt 在中国 , nooit 在中国里.
Voor “hier”, “daar” en “waar” geeft de pagina 这里 , 那里 en 哪里 . In het Noorden zegt men eerder 这儿 , 那儿 en 哪儿 ; beide reeksen zijn overal correct. 哪里 heeft een verrassing in petto: herhaald, 哪里哪里 , is het het bescheiden antwoord op een compliment, letterlijk “waar dan, waar dan?” (bedoeld is: waar ziet u dat?).
De windstreken zeg je niet in onze volgorde op. Je zegt 东南西北 , oost, zuid, west, noord, met de loop van de zon mee. Ook de tussenrichtingen zijn omgekeerd: 东南 , “oost-zuid”, is ons zuidoosten, en 西北 , “west-noord”, ons noordwesten. In Peking, een stad die als een dambord is aangelegd, wijst men graag de weg met de windstreken: 往北走 , “ga naar het noorden” (de bezoeker die niet weet waar het noorden is, schiet daar weinig mee op). De woorden om de weg te vragen staan op de pagina Te voet, met de fiets, met de auto.
Drie woorden vertaal je met “naar”. 往 hoort bij een verplaatsing (zin 9). 向 geeft aan waarnaar je gekeerd bent, en dient ook figuurlijk: 向他学习 , “van hem leren”. 朝 zegt eerder waar je met je gezicht naartoe staat, ook zonder te bewegen, zoals een raam dat op het zuiden uitkijkt. Maar de grens tussen 向 en 朝 is niet scherp, en Chinezen gebruiken vaak het ene voor het andere. Eenvoudig is het niet.
De afstand tussen twee punten druk je uit met 离 , “gescheiden zijn van”: 我家离学校很近 , letterlijk “mijn huis, gescheiden van de school, heel dichtbij” (zin 4). De klassieke fout is om er 从 voor in de plaats te zetten. 从 geeft het vertrekpunt van een traject aan en gaat samen met 到 : 从… 到…, “van… tot…” (zin 10). 离 daarentegen meet een afstand en veronderstelt geen enkele beweging.
De bewegingswerkwoorden dragen een gegeven mee dat het Chinees nooit weglaat: de plaats van de spreker. 来 brengt naar hem toe, 去 voert van hem weg (het Nederlands doet dat ook, met komen en gaan, maar minder stelselmatig). “Naar binnen!” is dus 进来 , kom binnen, als je zelf binnen bent, en 进去 , ga naar binnen, als je buiten bent gebleven (zin 6). Hetzelfde geldt voor 上去 en 下来 . De tweede lettergreep spreek je uit in de neutrale toon. In het begin is het verwarrend, maar met oefenen valt alles op zijn plaats: het heeft geen zin om alles te willen beredeneren.
方 betekent “vierkant”, en je vindt het terug in 方向 de richting, 地方 de plaats, 方便 handig. De oude kosmologie past in vier karakters: 天圆地方 , de hemel is rond en de aarde vierkant, zoals de oude Chinese munten, rond met een vierkant gat. De passer en de winkelhaak, 规矩 , zijn uiteindelijk de gedragsregels gaan aanduiden (zin 23). Voor afmetingen maakt het Chinees het zelfstandig naamwoord door de twee tegengestelden aan elkaar te plakken: 大小 , “groot-klein” ⟶ de grootte. Let ook op 粗 en 细 , die een doorsnede meten (een touw, een lijn, noedels), waar het Nederlands “dik” en “dun” zegt zonder meer. De kledingmaten staan op de pagina Stoffen, kleuren en maten.
Het merkwaardigste woord van de pagina is 东西 : “oost-west” ⟶ het ding (zin 8). Er doen verschillende verklaringen de ronde, en ik ken er geen enkele die zeker is. 左右 , “links-rechts”, na een getal geplaatst, betekent “ongeveer” (zin 17). Je klimt naar je werk en je daalt ervan af: 上班 , 下班 . De laatste zin komt uit de Gesprekken (zin 25, zie Hoofdstuk 9 van de Gesprekken van Confucius). Niet Confucius is aan het woord, maar zijn leerling Yan Yuan: hij meent de leer van de Meester vóór zich te zien, en daar is ze al achter hem. Zelfs hij raakte de weg kwijt.
Klik op om het even welk karakter van de pagina: de schrijfvolgorde verschijnt streek voor streek, met de pijl die de richting van de haal aangeeft.
Zo werkt deze pagina: elk woord draagt zijn niveau. ① het essentiële, ② het gangbare, ③ het precieze. Begin bij de ①: daarmee kunt u al zeggen waar iets zich bevindt, een richting aanwijzen of een vorm beschrijven. De knop ▶ geeft de uitspraak, en een klik op een karakter opent de schrijfvolgorde.
Hier, daar, waar?
hier
daar, ginds
waar?
zijn in, zich bevinden
de omgeving, in de buurt
de positie, de ligging
overal
de locatie (van een afspraak, een evenement)
de ruimte, de vrije plaats
gelegen zijn in
de plaats zelf; plaatselijk
Boven, binnen, voor: de plaatswoorden
boven, bovenop
onder, eronder
binnen, binnenin
buiten, aan de buitenkant
voor, vooraan
achter, achteraan
links, de linkerkant
rechts, de rechterkant
in het midden, tussen
naast, ernaast
tegenover, aan de overkant
tussen (twee dingen)
onder, helemaal onderaan
het centrum
rondom
achter de rug, erachter
het binnenste, intern
de hoek, het hoekje
De richtingen en de windstreken
het oosten
het zuiden
het westen
het noorden
de richting
het Noorden, het noordelijke deel
het Zuiden, het zuidelijke deel
het oosten; de Oriënt
het westen; het Westen
naar, in de richting van
naar, gekeerd naar
naar, met het gezicht naar
het zuidoosten (“oost-zuid”)
het noordwesten (“west-noord”)
het noordoosten; Noordoost-China
het zuidwesten (“west-zuid”)
de voorkant, de goede kant
de keerzijde, de achterkant
de streek ten zuiden van de benedenloop van de Yangtze
Ver, dichtbij: de afstand
ver
dichtbij, nabij
op (een bepaalde afstand) van
hoe ver?
de afstand
in de verte
naderen, dicht bij
het eindpunt, de eindhalte
langs
ver weg, afgelegen
(een bepaalde afstand) uit elkaar liggen
de omvang, het bereik
het einde, het uiteinde
Komen, gaan, voorbijgaan: de verplaatsing
komen
gaan
aankomen in; tot
terugkeren, teruggaan
binnenkomen (naar de spreker toe)
naar buiten gaan (van de spreker weg)
terugkomen, thuiskomen
verlaten, vertrekken uit
voorbijgaan, oversteken
naar boven gaan (van de spreker weg)
naar beneden komen (naar de spreker toe)
hierheen komen
langskomen, gaan via
afslaan, een bocht nemen
dwars door iets gaan, doorkruisen
stijgen, omhooggaan
dalen, zakken
De vormen
rond
de vorm
vierkant, hoekig
de cirkel, de ronde vorm
het vierkant
de rechthoek
de driehoek
de rechte lijn
recht
krom, gebogen
de kromme, de gebogen lijn
schuin, scheef
evenwijdig
loodrecht, verticaal
symmetrisch
Groot, lang, breed: de afmetingen
groot
klein
lang
kort
laag
breed
smal
diep
ondiep
de grootte, de maat
vergroten
verkleinen, krimpen
dik, grof (van doorsnede)
dun, fijn (van doorsnede)
uitgestrekt, weids
De ruimte in uitdrukkingen
van alle kanten (“vier zijden, acht richtingen”)
alle kanten op kijken (“naar het oosten, naar het westen”)
vlakbij, binnen handbereik
het einde van de wereld (“rand van de hemel, hoek van de zee”)
de hemel is rond, de aarde is vierkant
zonder regels houdt niets stand (“zonder passer en winkelhaak geen vierkant en geen cirkel”)
zichzelf schromelijk overschatten (“niet weten hoe hoog de hemel en hoe dik de aarde is”)
de hemel is hoog en de keizer is ver
De ruimte in alledaagse woorden
het ding, het voorwerp (“oost-west”)
handig, gemakkelijk
naar het werk gaan, aan het werk zijn
klaar zijn met werken, van het werk gaan
ongeveer (“links-rechts”)
uiteindelijk; nu eigenlijk (“tot op de bodem komen”)
van het vak, kenner
leek, niet van het vak
het gevoel voor maat (“een tiende duim en een duim”)
Voorbeeldzinnen
Pardon, waar is het toilet?
Mijn telefoon ligt op de tafel.
De bank is rechts van het postkantoor.
Mijn huis is vlak bij de school.
Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe?
Het is koud buiten, kom gauw binnen!
Deze is te groot, hebt u een kleinere?
Ik ga boodschappen doen in de supermarkt, ik ben zo terug.
Ga rechtdoor en sla op het kruispunt rechts af.
Hoe ver is het van hier naar het station?
Er is een park bij mij in de buurt, recht tegenover de school.
De mensen uit het Noorden eten graag noedels, die uit het Zuiden rijst.
De zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
Deze tafel is rond, die daar is vierkant.
Deze rivier is breed, maar ze is niet diep.
Ik zit tussen papa en mama.
Ik begin om acht uur te werken en ik stop rond zes uur.
Hij komt elke dag over deze brug als hij naar zijn werk gaat.
Volg dit paadje tot het einde en u ziet de zee.
Deze twee lijnen zijn evenwijdig, die twee staan loodrecht op elkaar.
De bezoekers komen van alle kanten hierheen.
Hij spreekt met gevoel voor maat en brengt nooit iemand in verlegenheid.
Zonder passer en winkelhaak teken je geen vierkant en geen cirkel. (spreekwoord, naar Mencius)
Zolang er binnen de vier zeeën een vriend is, is het einde van de wereld als het huis hiernaast. (Wang Bo, Tang-tijd)
Hoe meer ik de leer van de Meester beschouw, hoe verhevener ik haar vind; hoe dieper ik erin doordring, hoe onmogelijker het me lijkt haar helemaal te begrijpen; ik meen haar vóór me te zien, en plots merk ik dat ze achter me is. (Yan Yuan, Gesprekken, IX.10)


