Chinees leren: grammatica van les 3
In deze les behandelen we het werkwoord “zijn” 是, de vraagwoorden 什么 en 谁, het bepalingspartikel 的, de opbouw van Chinese namen en het verschil tussen 学生 en 同学.
Het werkwoord zijn 是
Het werkwoord “zijn” 是 wordt veel minder gebruikt dan in het Nederlands.
Herinnert u zich de adjectivische werkwoorden uit les 1 en 2?
Het gaat om 好 “goed zijn”, 客气 “beleefd zijn” en 高兴 “blij, gelukkig zijn”. In deze les komt er een bij: 老 “oud zijn”.
Twee regels om te onthouden over deze werkwoorden:
1. in een bevestigende zin hebben ze een vergelijkende betekenis. Voorbeeld: 他老, “Hij is oud, terwijl…”. Om de vergelijking weg te nemen, voegt men het bijwoord 很 toe: 他很老。 “Hij is (heel) oud.”
2. adjectivische werkwoorden bevatten al het werkwoord “zijn”. Men zet dus nooit 是 vóór een adjectivisch werkwoord.
De volgende zin is dus fout: 他是老。
Toch is dit een van de hardnekkigste fouten bij Nederlandstaligen. Ik verbeter hem zelfs nog bij leerlingen in hun derde jaar.
是 wordt dus alleen met zelfstandige naamwoorden gebruikt:
他是老师。 Hij is leraar.
他是谁? Wie is hij?
她是我的同学。 Zij is mijn klasgenote.
Let op
Zet nooit 是 vóór een adjectivisch werkwoord. Gebruik het adjectivische werkwoord alleen, met 很 in een bevestigende zin.
她是高。 ✗
她很高。 Zij is lang. ✓
De onvolledige vraag: 什么 en 谁
In de vorige les zagen we de volledige vraag, waarop men met ja of nee antwoordt. Die vormt men door 吗 aan het eind van de zin te zetten.
Voorbeeld: 你是老师吗? Ben jij leraar?
Een onvolledige vraag (open vraag) is een vraag waarop men niet met ja of nee kan antwoorden: ze vraagt om informatie. Men gebruikt dan vraagwoorden.
Dit zijn de twee vraagwoorden van deze les:
什么 betekent “wat”, “welk”. Het slaat op voorwerpen of begrippen.
谁 betekent “wie”. Het slaat op personen.
Wat u moet onthouden over onvolledige vragen: geen omkering van onderwerp en werkwoord, en het vraagwoord staat precies op de plaats van het woord dat het antwoord geeft. Dat is veel handiger dan in het Nederlands, waar vraag en antwoord niet op elkaar lijken.
他是谁? Wie is hij?
他是李老师。 Dat is leraar Li.
你叫什么名字? Wat is je naam?
我叫月月。 Ik heet Yueyue.
Let op
Aan een onvolledige vraag voegt men geen 吗 toe.
他是谁吗? ✗
他是谁? ✓
De persoonlijke voornaamwoorden 他 en 她
In het Chinees worden “hij” en “zij” precies hetzelfde uitgesproken: . Ze worden echter met twee verschillende karakters geschreven:
他 : hij (mannelijk)
她 : zij (vrouwelijk)
Dit onderscheid op schrift is recent in de geschiedenis van het Chinees: het dateert van het begin van de 20e eeuw, onder invloed van de Europese talen. In gesproken taal kunt u alleen uit de context afleiden over wie het gaat. In het begin is dat verwarrend, maar daarna denkt u er niet meer aan.
Overzicht van de persoonlijke voornaamwoorden die we tot nu toe hebben gezien:
我 : ik, mij
你 : jij, jou
他 : hij, hem
她 : zij, haar
我们 : wij
你们 : jullie
他们 : zij (mannen of een gemengde groep)
她们 : zij (vrouwen)
Het bepalingspartikel 的
的 is een bepalingspartikel. Het verbindt de bepaling, de aanvullende informatie, met de kern, datgene waarover men spreekt:
Voorbeeld: 老师的名字 : de voornaam van de leraar. Waarover men spreekt, is een voornaam 名字, maar niet zomaar een. De bepaling geeft aan welke: die van de leraar, niet die van iemand anders.
Men spreekt vaak van een “bezittelijk” partikel. Dat is te beperkt: bezit is maar één bijzonder geval van bepaling. Bovendien kan de bepaling een enkel woord zijn, maar ook een hele zin, die het Nederlands meestal met een betrekkelijke bijzin weergeeft.
Bijvoorbeeld: 叫月月的学生: de leerling of de leerlingen die Yueyue heet of heten.
Merk op dat de volgorde andersom is dan bij de Nederlandse constructie met “van”. Dat is doorslaggevend om woordgroepen uit elkaar te houden die op elkaar lijken:
老师的学生 : de leerlingen van de leraar
学生的老师 : de leraar van de leerlingen
Dit werkt ook met de persoonlijke voornaamwoorden en levert de bezittelijke voornaamwoorden op:
我的: mijn
你的: jouw
他的: zijn
她的: haar
Bijvoorbeeld:
我的老师 : mijn leraar
她的同学 : haar klasgenote
De kern kan wegvallen, omdat hij verondersteld wordt of onbekend is. De bezittelijke voornaamwoorden worden dan zelfstandig gebruikt:
我的: de mijne, het mijne
李老师的 : die of dat van leraar Li
De opbouw van Chinese namen
In het Chinees staat de familienaam (姓 ) altijd vóór de voornaam (名字 ). Dat is andersom dan in het Nederlands.
Voorbeeld: 李明 , waarbij 李 de familienaam is en 明 de voornaam.
Familienamen bestaan uit één karakter, op enkele zeldzame uitzonderingen met twee karakters na. Voornamen tellen één of twee karakters.
Om iemand beleefd aan te spreken, gebruikt men de familienaam gevolgd door een titel:
李老师 : leraar Li
王先生 : meneer Wang
Het verschil tussen 学生 en 同学
学生 betekent “leerling, student”. Het is de algemene term voor iemand die studeert.
Voorbeeld: 他是学生。 Hij is student.
同学 betekent “klasgenoot”. Letterlijk 同 “zelfde” en 学 “studeren” ⟶ zij die samen studeren. Het woord veronderstelt dus een relatie tussen personen.
Voorbeeld: 她是我的同学。 Zij is mijn klasgenote.
Met andere woorden: 学生 drukt een status uit, 同学 een relatie. Een leraar gebruikt 同学 om zijn leerlingen aan te spreken, vaak in het meervoud: 同学们 .
同学 dient ook als titel, net als leraar, meneer of mevrouw: 李同学 “leerling Li”.
U herkent dit gebruik gemakkelijk, want het woord staat dan na een familienaam.


